Woordenlijst voor ouders
De woorden die je kind op school hoort, met een voorbeeld in de juiste notatie. Zo leg je thuis uit wat de juf of de leerkracht uitlegt.
Zo schrijf je het op
Elk gelijkheidsteken moet kloppen. Wat links staat, is evenveel als wat rechts staat.
Zo klopt het
27 + 8 = 27 + 3 + 5 = 30 + 5 = 35
Zo niet
27 + 8 = 27 + 3 = 30 + 5 = 35
27 + 3 is niet evenveel als 27 + 8. Op school heet dit "breien".
Alle woorden
Dat woord vind ik niet. Probeer een ander woord, zoals splitsen of som.
- Som Uit de minimumdoelen
- De uitkomst van een optelling. 6 + 3 = 9, de som is 9 Minimumdoel 2.2.10, einde 4de leerjaar
- Verschil Uit de minimumdoelen
- De uitkomst van een aftrekking. 9 − 3 = 6, het verschil is 6 Minimumdoel 2.2.10, einde 4de leerjaar
- Product Uit de minimumdoelen
- De uitkomst van een vermenigvuldiging. 4 × 5 = 20, het product is 20 Minimumdoel 2.2.10, einde 4de leerjaar
- Quotiënt Uit de minimumdoelen
- De uitkomst van een deling. 20 : 5 = 4, het quotiënt is 4 Minimumdoel 2.2.10, einde 4de leerjaar
- Aanvullen tot Uit de minimumdoelen
- Zoeken hoeveel er nog bij moet om tot een getal te komen. 27 + 3 = 30 Minimumdoel 2.2.10, einde 4de leerjaar
- Splitsen Uit de minimumdoelen
- Een getal in twee delen opdelen. 8 = 3 + 5 Minimumdoel 2.2.10, einde 4de leerjaar
- Compenseren Uit de minimumdoelen
- Rekenen met een makkelijker getal en het daarna weer rechtzetten. 46 + 19 = 46 + 20 − 1 = 66 − 1 = 65 Minimumdoel 2.2.10, einde 4de leerjaar
- Van plaats wisselen Uit de minimumdoelen
- Bij optellen en vermenigvuldigen mag je de getallen omdraaien. De uitkomst blijft gelijk. 7 × 3 = 3 × 7 Minimumdoel 2.2.10, einde 4de leerjaar
- Schakelen Uit de minimumdoelen
- Bij optellen kies je zelf welke getallen je eerst samen neemt. 7 + 6 + 4 = 7 + 10 = 17 Minimumdoel 2.2.10, einde 4de leerjaar
- Verdelen Uit de minimumdoelen
- Een getal splitsen en elk deel apart vermenigvuldigen. 6 × 14 = 6 × 10 + 6 × 4 = 60 + 24 = 84 Minimumdoel 2.2.10, einde 4de leerjaar
- Getallenas Uit de minimumdoelen
- Een lijn met getallen op gelijke afstand. Je kind springt erop van getal naar getal. 27 → 30 → 35 Minimumdoel 2.1.6, einde 4de leerjaar
- Over het tiental (met brug) Handig om te weten
- Eerst naar het tiental springen en dan de rest erbij tellen. Op school hoor je soms nog "brugoefening". 27 + 8 = 27 + 3 + 5 = 30 + 5 = 35
- Paraat kennen Handig om te weten
- Iets vlot weten zonder te tellen, zoals de maaltafels. 6 × 7 = 42
- Inzicht Handig om te weten
- Begrijpen waarom iets klopt. Eerst inzicht, dan oefenen tot het vlot gaat. 3 × 7 = 7 + 7 + 7